|
INLEIDING
Een van de kleine onhebbelijkheden van het dagelijks leven is het niet te binnen willen schieten van een bepaald woord. Minuten peinzen levert geen resultaat op en na een paar dagen komt het bedoelde woord ineens tevoorschijn.
Dit roept de vraag op wat er nu eigenlijk mis gaat in het proces achter de woordvinding. Recente theorieën over hoe het woordvindingsproces verloopt en over hoe woordvindingsstoringen ontstaan, worden in dit verslag weergegeven. Het gaat hier zowel om storingen die bij bepaalde verworven afasieën voorkomen (anomieën) als om storingen bij mensen zonder aangetoonde taalstoornis.
In dit verslag zal eerst globaal weergegeven worden hoe een gedachte of een gevoel uitgedrukt wordt in een taaluiting. Daarna kom ik toe aan het deelproces van de taalproductie dat ik wil bespreken: de woordvinding. Ik behandel een basismodel waar de meeste theoretici van uitgaan en vervolgens bespreek ik een aantal kwesties die voortborduren op dit basismodel en waarover de theoretici vaak nog geen eensluidende meningen hebben. Het daaropvolgende hoofdstuk wordt gewijd aan het fenomeen woordvindingsproblemen. Daarin worden anomieën en reguliere woordvindingsproblemen naast elkaar gezet, en er wordt uitgebreid aandacht besteed aan het TOT-fenomeen. |
||||||