4.      OVERIGE AANVULLINGEN OP HET BASALE THEORETISCHE MODEL      

 

 

 

 

4.1    Hyperoniemprobleem

 

 

Als de betekenis van lemma A de betekenis van lemma B bevat, is B het hyperoniem van A (Levelt, 1991). "Dier" is dus het hyperoniem van "kat" omdat het woord "kat" al impliceert dat het om een dier gaat. Het probleem is nu: als een spreker het concept "kat" wil uitdrukken, zal behalve het lemma "kat" ook het concept en lemma "dier" geactiveerd worden; de betekenis van "dier" is immers een gedeelte van de betekenis van "kat". Hoe komt het dat de spreker dan toch "kat" zegt in plaats van "dier"?

Hiervoor zijn twee verklaringen:

  • het principe van specificiteit. Het idee van "een kat is een dier, een dier is een ding, enzovoort; dus al deze lemma's worden opgeroepen" blijft gehandhaafd, maar het meest specifieke lemma wordt geselecteerd. Bij sommige neurologi­sche woordvindingsstoornissen is te zien dat concepten alleen nog maar globaal benoemd kunnen worden; de hyperoniemen vervangen het bedoelde woord.
  • Concept-knopen worden direct gekoppeld aan de bijbehorende lemma's: het concept "kat" heeft een directe verbinding met het lemma "kat" en hoeft dit lemma dus niet via het lemma "dier" te bereiken. (Roelofs, 1992).

 

 

 

4.2    Bufferen van lemma's voor fonologische specificatie

 

 

Dell e.a. (1992) bespreekt ideeën over de volgorde waarin lemma's en fonologische vormen in meerwoordsuitingen geselecteerd worden.

Eén mogelijkheid is de "lemma buffering hypothese", welke stelt dat eerst selectie plaatsvindt van alle lemma's in een zin voordat de corresponderende fonologische vormen ingevuld worden. De volgorde van de stappen is dan: // L(1) L(2) L(3) / P(1) P(2) P(3) // in een driewoordsuiting.

Omdat er waarschijnlijk een grens is aan het aantal lemma's dat tijdelijk gebufferd kan worden, heeft men de volgende aanpassing van de lemma buffering hypothese bedacht: de grootte en de inhoud van de buffers is gerelateerd aan de zinsstructuur. In het geval dat woord één, woord twee en woord drie samen een duidelijk verbonden zinsdeel vormen en woord vier en vijf een anderssoortig zinsdeel, zal de volgorde zijn: // L(1) L(2) L(3) / P(1) P(2) P(3) * L(4) L(5)//.

Het alternatief dat zich het meest onderscheidt van lemma buffering is datgene waarin elk lemma per stuk opgevolgd wordt door fonologische vorming ervan. Het schema wordt dan: // L(1) / P(1) * L(2) / P(2) * L(3) /P(3) //.

 

Door middel van analyse van vergissingen, aarzelingen en pauzes in spraak onderzoekt men de aard van lemmabuffering. Voorlopig is er nog niet veel duidelijkheid over.

 

 

 

4.3    Fonologische programmering

 

 

De fonologische vorm van een woord is niet kant en klaar als een geheel aanwezig bij het bereiken van de fonologisch-lexicale fase. Onderzoek naar spraakfouten maakte duidelijk dat de vorm steeds weer opnieuw geconstrueerd moet worden.

Het vormen van een woord lijkt te gebeuren door het maken van een leeg geraamte dat vervolgens ingevuld wordt met segmenten (Levelt, 1991). De lemma's activeren bepaalde fonologische knopen, die op hun beurt weer specifiekere fonologische knopen beroeren. Bij een spreker die een woord op het puntje van zijn tong heeft liggen en hem toch niet vindt, is het geraamte vaak al aanwezig: hij weet bijvoorbeeld het aantal lettergrepen en de klemtoon maar heeft nog geen toegang tot de in te vullen informatie.

   

 

     

 

   
     

 

     
     

 

     
     

Woordvinding

Voorwoord

Inleiding

  1. Van idee naar uiting
  2. Algemeen gebruikte onderzoeksmethodologieën en een basaal theoretisch model
  3. Het woordvindingsmechanisme: wel of geen interactie tussen lemmaselectie en fonologische programmering?
  4. Overige aanvullingen op het basale theoretische model
  5. Woordvindingsproblemen
  6. Conclusie

Samenvatting

Literatuurlijst

 

Het hele artikel     uitprintversie, pdf