1. HET WOORDVINDINGSMECHANISME: WEL OF GEEN INTERACTIE TUSSEN LEMMASELECTIE EN FONOLOGISCHE PROGRAMMERING?

 

Er is in de literatuur een discussie gaande over of de lemma-toegangsfase en de fonologische toegangsfase elkaar overlappen (Levelt, Schriefers, Meyer, Pechmann, Vorberg en Havinga, 1991; Dell en O'Seaghdha, 1991; Levelt, 1992; Dell en O'Seaghdha, 1992). Een overlap zou namelijk verklaren waarom de selectie van niet-bedoelde woorden die zowel semantisch als in klankvorm lijken op het doelwoord, statistisch gezien zo opvallend vaak voorkomen.

In een strict discreet tweestapsmodel is er alleen semantische activiteit gedurende stap 1. In stap 2 is er alleen fonologische activiteit. Tijdens de eerste fase, nadat zich een concept heeft aangediend om in een woord uitgedrukt te worden, raakt een semantisch cohort - een bepaalde set lemma's die voor dit concept gevoelig is -, geactiveerd. Als de activatie van één van deze lemma's - het doelitem - een zekere drempelwaarde bereikt (geselecteerd is), zal het betreffende logogen vuren. Het gevolg is dat het activatieniveau van het lemma zakt naar nul en dat alléén het geselecteerde lemma fonologisch geactiveerd en geprogram­meerd zal worden.

 

Activatie-spreidingsmodellen (Levelt, 1991, verwijst naar o.m. Dell, 1986, 1988, 1989 en MacKay, 1987) voorspellen dat niet alleen het geselecteerde item fonologisch geactiveerd zal worden, maar ook naburige semantische items. Volgens dit model bestaan er knopen op drie niveaus. Op het hoogste - het conceptuele - niveau representeren de knopen allerlei concepten. De concepten die geactiveerd worden, spreiden hun activatie naar het middelste niveau; naar alle lemma's die bij het betreffende semantische cohort horen. De samenstel­ling van ieder cohort hangt af van het concept: een politieagent kan in het cohort voorkomen van het concept "beroepen" maar ook in het cohort van het concept "crimina­liteitsbestrijding".

Het meest geactiveerde lemma is het bedoelde item. Vervolgens spreiden alle geactiveerde lexicale items hun activatie naar het laagste niveau - de fonologische programmering. Dit is dus duidelijk in tegenstelling tot het discrete tweestapsmodel. Het gevolg is dat de fonologische units van alle geactiveerde lemma's wat geactiveerd worden, maar de units van het bedoelde lemma het meest. Deze zijn dan geselecteerd en de fonologische activatie van de andere items verzwakt.

De meeste spreidings-activatietheorieën veronderstellen zowel voorwaartse als achterwaart­se spreiding; dit betekent dat er ook vanuit het fonologisch-lexicale niveau naar het semantisch-lexicale niveau gevuurd wordt. Het zou het veelvuldige voorkomen van fonologische spraakfouten die toch leiden tot bestaande woorden, verklaren: de combinatie meest geactiveerde foneemnoden (de geselecteerde) spreiden hun activiteit weer naar lemma's met er op lijkende nodencombinaties. Sommige van deze lemma's waren al van bovenaf wat geactiveerd waardoor dit genoeg kan zijn voor het maken van fouten. In deze situatie is er duidelijk een temporele overlap van een semantische en een fonologische activatie.

 

Levelt e.a. (1991) heeft in zijn onderzoeken geen bevestiging gevonden voor het activatie­spreidingsmodel en reageert op het model met de volgende redenering: om te zien of een model werkt, moet bekeken worden of het van toepassing is op normale processen. In dat normale proces hebben lexicale selectie en fonologische programmering duidelijk verschil­lende functies: de eerste betreft het snelle zoeken in het lexicon naar een geschikt item en de tweede creëert een articulatorisch programma. Elke feedback van het latere naar bet eerdere niveau maakt het systeem meer gevoelig voor vergissingen dan nodig is. Het gescheiden verlopen van de processen voorkomt juist vergissingen. Dus wat zou nu het nut zijn van interactie? Levelt vermeldt dat Dell (1988) hiervoor een mogelijkheid noemt: de terugkoppeling komt in het netwerksysteem voor om woordherkenning en woordbegrip mogelijk te maken. Hetzelfde lexicale netwerk zou dan zowel voor woordproductie als voor woordbegrip dienen. Helaas is ook over deze kwestie nog weinig duidelijkheid.

 

Onderzoeksresultaten gaven voorlopig echter meer ondersteuning aan het discrete model (Levelt e.a., 1991; Dell e.a. 1991 en 1992) en om deze reden stelt Dell de volgende oplossing voor: over het algemeen kunnen we de woordvinding als een discreet proces beschouwen, maar plaatselijk moet er toch een zekere interactie zijn tussen lemma- en lexeem-toegang om gemengde semantisch-fonologische vergissingen te kunnen verklaren.

 

Burke, MacKay, Worthley en Wade (1991) ontwikkelden een theorie met zowel een spreidingscomponent als een modulair aspect: een spraakproductienetwerk bestaat uit knopen die geactiveerd kunnen worden of "gepri­med".

Activatie dient om gericht informatie van een bepaalde knoop op te roepen. Het is hier een kwestie van wel of niet geactiveerd worden, in plaats van in meer of mindere mate. Er vindt geen spreiding van activatie plaats.

Priming leidt tot het geprikkeld raken van een knoop, maar wel beneden de drempelwaar­de; deze knoop kan geen activiteit doorgeven zolang de drempelwaarde niet overschreden wordt, maar hij is nu wel voorbereid op mogelijke activatie. Priming gebeurt doordat een geactiveerde knoop alle knopen prikkelt die ermee verbonden zijn. Er vindt nu dus wel spreiding plaats, en ook naar knopen op hogere en lagere niveaus. De sterkte van het geprikkeld zijn verhoogt zich naarmate er meer gelijktijdige actieve connecties met de knoop zijn of naarmate één connectie activiteit blijft doorgeven.

In dit mechanisme zijn zogenaamde sequentieknopen werkzaam: zij zijn de knopen die sequentieel (eerst semantisch-lexicaal, daarna fonologisch-lexicaal) geactiveerd worden. Elke sequentieknoop heeft zijn domein van knopen waar hij mee in verbinding staat. Als hij geactiveerd wordt, prikkelt hij herhaaldelijk de knopen in zijn domein. De knoop die het eerst genoeg priming krijgt om boven de drempel uit te komen, wordt geactiveerd, en stuurt de boodschap verder door richting uitspraak.

Hierbij is dus in lichte mate sprake van interactie. Licht, omdat de kracht van de activatie – die altijd op weg naar de articulatie is - zoveel groter is dan die van de ook naar vorige niveaus spreidende priming.

   

 

     
  1. Overige aanvullingen op het basale theoretische model
   
     

 

     
     

 

     
     

Woordvinding

Voorwoord

Inleiding

  1. Van idee naar uiting
  2. Algemeen gebruikte onderzoeksmethodologieën en een basaal theoretisch model
  3. Het woordvindingsmechanisme: wel of geen interactie tussen lemmaselectie en fonologische programmering?
  4. Overige aanvullingen op het basale theoretische model
  5. Woordvindingsproblemen
  6. Conclusie

Samenvatting

Literatuurlijst

 

Het hele artikel     uitprintversie, pdf